4 mei 2015

Teveel bescherming?

Bron: Friesch Dagblad, 1 mei 2015

Het gaat niet goed met de opvoeding in Nederland. Ouders proberen hun kinderen voor van alles te beschermen. Daarmee ontnemen ze hun kinderen de kans om zich te leren wapenen tegen tegenslag; ze krijgen geen eelt op de ziel. Een gevolg is dat kinderen het in de echte wereld moeilijk krijgen.

Deze constatering doet prof. dr. J.J.L. Derksen in zijn nieuwe boek ‘Iedereen een psychische aandoening?’ Daarin somt hij een groot aantal factoren op die verantwoordelijk zijn voor de enorm toegenomen hulpvraag in de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Een ervan is dat ouders het moeilijk vinden om grenzen te stellen en consequent te zijn in het handhaven van regels in het gezin. Een voorbeeld: hoeveel ouders brengen het op om ervoor te zorgen dat hun kinderen zich consequent houden aan de afspraken voor het gebruik van de iPad of laptop?

Veel ouders hemelen hun kinderen op waardoor kinderen toegroeien naar een narcistisch persoon; iemand dus die zichzelf in alles in het midden plaatst en die grootheidswanen heeft. Er komen meer kinderen met steeds hogere waarden van afwijkend gedrag. Zelfs zo, dat de meetinstrumenten in de psychologie moesten worden aangepast vanwege de grote hoeveelheid plafondscores.

Een van de achtergronden van deze ontwikkeling is de opvoeding van veel huidige ouders. In de jaren zestig zijn de zuilen omvergetrokken en zijn generatieverschillen verdwenen. Religie en ideologie konden niet meer functioneren als kaders voor opvoeding. De huidige ouders missen de zekerheden van de kaders en gaan met hun kinderen om vanuit onderbuikgevoelens. Bescherming in plaats van opvoeding is het gevolg.

De enorme toename van het aantal kinderen met ADHD komt in zijn boek ook aan de orde. Kinderen met een druk temperament hebben strenge ouders nodig, die structuren aanbrengen en grenzen stellen. Gebeurt dat niet, dan ontwikkelen die drukke kinderen ADHD.

Derksen is ook somber over de wijze waarop de ggz functioneert. Het ‘echte werk’ in de ggz wordt bemoeilijkt door bureaucratische verplichtingen. Hij hekelt de macht van de zorgverzekeraars en het beleid van de minister. De werkers in de ggz hebben het gevoel weg te zakken in het moeras van de bureaucratie. Dagelijks gaat er kostbare tijd voor patiëntenzorg verloren. En de mensen die in de ggz werken hebben geen tijd meer om zichzelf de juiste vragen te stellen over bijvoorbeeld wat wel en wat niet een afwijking is. Of om na te denken over de vraag of in ons land – door de macht van de verzekeraars – overal diagnoses voor te stellen en daar etiketten van te maken.

De analyse van Derksen is bijzonder. Zijn boek verheldert veel situaties die voor veel mensen herkenbaar zijn – ouders en grootouders. Het boek zou wat dat betreft verplichte kost kunnen zijn voor ouders. En voor politici. Die zijn in ieder geval mede schuldig aan de bureaucratisering van de (geestelijke) gezondheidszorg en aan de inhoudelijke uitholling van het vak. Het boek is ook belangrijk voor de werkers in de ggz: Het bevestigt wat al zo veel werkers in de ggz roepen.